
Een illusie van twee zijn.
Ik zit in een lijf dat niet jou toebehoort,
maar
eender wie het vraagt.
Altijd open, door de tijd en teveel toeristen gemarkeerd.
Gefantaseerd gebouwd en
ingestorte huizen als dromen, of moest dat omgekeerd?
Hier huist, niet woont,
een spoor dat kruist, niet stopt.
En er stroomt wel meer dat niet van mij is,
nu het wel in mij is,
maar niet blijft.
Niets blijft, wegen leiden,
net als deze handen,
foute paden in.
Een bouwvallig broednest van grauwe muren
en ik wil nog wel.
We willen allemaal (altijd, overal)
En vooral waar het niet mag, steeds
in dat enige plekje groen,
aangelegd.
Diep in mij zit niets nog vast.
Hier staat niets - vast.
Er wordt geroepen
door mijn mond.
Het is vuur aan een reeds ontstoken lont.
Te veel, te laat.